Meelopers

Mijn herinnering aan een voetbalstadion bestaat vooral uit koude voeten en kippenvel. Veel kippenvel. Van de kou wel te verstaan. Maar het kan ook anders.

Dat ondervond de zestigjarige Djee van Suijlekom afgelopen zondag, toen ie door duizenden Feyenoord supporters hartstochtelijk werd toegezongen. Djee, ernstig ziek en fervent Feyenoord supporter, bracht zijn laatste bezoek aan “de Kuip”. Ook de aanwezige PSV supporters deden oprecht mee aan dit indrukwekkende eerbetoon. “You’ll never walk alone” uit duizenden kelen, in een kolkende Kuip. Kippenvel.

Om de één of andere reden hebben voetbalsupporters iets met herdenken. In Breda weet men daar alles van. De in 1989 overleden Andro Knel wordt nog altijd herdacht. Ook hierbij zijn twee clubs, eensgezind van de partij: NAC en Sparta. Dat is nou respect.

Ik herinner me de herdenking van Ferry van Vliet. Doetinchem, 31 mei 2001: voetballers in tranen. Supporters van NAC en De Graafschap, schouder aan schouder en uit volle borst: “You’ll never walk alone”. Kippenvel.

Ook in Utrecht weet men wat respectvol herdenken is. De op 29 november 2005 overleden David Di Tommaso is men nog steeds niet vergeten.

Terwijl Djee in Rotterdam, één van de mooiste momenten van z’n leven meemaakt, vindt er in Utrecht een ware veldslag plaats. Honderden Utrechtse voetbalsupporters bekogelen agenten en politiepaarden met vuurwerk en stenen. De meute is door het dolle heen en de politie voelt zich genoodzaakt om waarschuwingsschoten te lossen.

Met z’n allen tegen een hand vol politie, want you’ll never walk alone, toch?

Kippenvel.

Zwartwerk

Mensen noemen me wel eens “een zeldzame”. Ik vertaal dat liever in “een uniek persoon”. Maar misschien hebben ze wel een beetje gelijk. Al is het alleen al vanwege het feit dat ik meer dan dertig jaar voor de zelfde werkgever werk.

In die periode is het bedrijf 4 keer overgegaan in andere handen maar ik werk er nog steeds. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik het altijd leuk heb gevonden. Zelfs nu vervloek ik nog wel eens een collega of een bepaalde situatie. Maar blijkbaar is het toch leuk genoeg, anders blijf je niet zo lang.

Als het écht nodig is, kunnen ze altijd op me rekenen. En dat weten ze. En ze weten ook dat die grote bek nooit slecht bedoelt is, en in mijn beleving alleen maar in het belang van het bedrijf. Ja, ik kan met droge ogen verklaren dat ze geen “slechte” aan me hebben. De maandelijks vergoeding voor dit alles is wordt dan ook zonder blikken of blozen in ontvangst genomen.

De afgelopen week is me echter iets overkomen wat me niet onberoerd heeft gelaten. Na meer dan dertig jaar trouwe dienst vond een collega het nodig om me zwart te maken. En niet zo’n beetje ook. Iedereen stond er bij, maar niemand die het voor me opnam. Geloof me, zoiets komt hart aan.

Maar ach, er waren verzachtende omstandigheden: 149 enthousiaste kindertjes met bijbehorende ouders. Dan mogen ze je zwart maken en nog “Piet” noemen ook.

Griekse tragedie in de arena

Ajax, genoemd naar een Griekse mythologische figuur, zou in brand staan. Maar ongemerkt dreigt er een veel grotere ramp. Ook met zijn oorsprong in Griekenland. En ook met een vlam.

Of we werkelijk onze vingers gaan branden weten we pas in 2019. Dan zal Nederland namelijk moeten beslissen of we echt de Olympische Spelen van 2028 willen organiseren.

Sinds 2004 lopen de bobo’s van NOC*NSF al met een fikse opsteker in de pantalon: Nederland organiseert “de spelen”. Dat zou wat zijn. Diverse ministeries staan al te popelen om de duiten te laten rollen.

De reeds gemaakte kosten voor tussenrapporten, eindrapporten, haalbaarheidsstudies en businessplannen bedragen al vele miljoenen. De diverse werkgroepen, expertmeetings, sportbonden, gemeenteraden, provinciebesturen en commissies weten daar wel raad mee.

Iedereen wordt lekker gemaakt met vage aannames. “Economische uitstraling”, “goed voor topsport, breedte sport en gehandicapte sport”,  “infrastructuur”, “toerisme”. Het zal een mythe blijken.

Organiserende steden hebben zelden geld overgehouden aan het evenement. Dit in tegenstelling tot de organiserende comités en vooral het IOC . Ondanks aansprekende sponsoren, zijn u en ik de grootste sponsoren: als belastingbetaler.

Een recent onderzoek in opdracht van het kabinet, verwacht dat de organisatie van de Olympische Spelen 2028 door Nederland, zal uitdraaien op een kostenpost van 1,5 miljard. Dat is een hoop geld. Wie had het over een recessie?

U denkt dat Griekenland de schuld is van alle ellende?

Laten we dan stoppen met die geldverslindende Olympische Spelen.

Stoppen met dit uit de hand gelopen stukje Griekse folklore.

Over mijn lijk.

Ik bedenk me wel eens hoe het zou zijn, als mijn tijd van gaan gekomen is. Vroeg of laat is het voor iedereen “de hoogste tijd”. Hoe zal ik herinnerd worden? Zijn er veel belangstellenden tijdens mijn uitvaart?

Ik wil in ieder geval niet dat, na mijn verscheiden, mijn columns gebundeld worden uitgegeven waardoor anderen hun zakken kunnen vullen. Ook geef ik géén toestemming om mijn columns door bekende Nederlanders te laten voordragen voor een betalend publiek. En laat ik níet merken dat een selectie van foto’s uit mijn persoonlijke familiealbum in een belachelijk duur boek over de toonbank gaat. Over mijn lijk.

En tot slot, laat ik daar heel duidelijk over zijn, er komt géén “Ger Heimans – de musical”. Om de dooie dood niet.

Ik wil níet dat Chantal Jansen de rol vertolkt van mijn vrouw. Ik zal er hoogst persoonlijk voor zorgen dat RTL Boulevard u níet wekelijks lastigvalt met berichtjes over wie geauditeerd heeft voor de rol van één van mijn kinderen. En ik wil beslist niet dat Martijn Fischer in mijn huid kruipt.

Het mag duidelijk zijn; ik háát zakkenvullers die een lijk exploiteren. Ik verfoei de mensen die spreken van een waardige en integere productie om daar vervolgens eens fors slaatje uit te slaan.

Mijn zoontje heeft me nooit gevraagd om een vlieger. Mijn columns zij niet geschreven met bloed, zweet en tranen. Maar ik weet, mijn vrouw, zij gelooft in mij.

En wat ben ík blij, dat mijn vrouw geen Rachel heet.

Elke stad verdient een Topmanager

Toen ik van Breda naar Dordrecht verhuisde wist ik wél wat ik achterliet maar níet waar ik in terecht zou komen. Inmiddels voelt Dordrecht als een warme jas maar ik heb nog altijd goede herinneringen aan de Parel van het Zuiden.

Toch doet Dordrecht niet onder voor Breda. Je kijkt je ogen uit in die historische binnenstad met fraai gerestaureerde panden uit een rijk handelsverleden.

En juist dát doet me weer denken aan Breda. Of beter gezegd, aan iemand die me altijd is bijgebleven uit mijn tijd in Breda namelijk; Aad Ouborg.

Ik herinner me uit die jaren, die kleine autootjes met “BaByliss” op de zijkant. Ik snapte er toen geen bal van dat die kerel zo’n succesvol bedrijf verkocht. Wat bezielde die man om daarna weer helemaal opnieuw te beginnen? Maar toch had zijn “Princess” weer succes. Nu met “toasters” en “juicers” die wij thuis gewoon broodrooster en citruspers noemde.

Ik snapte toen nóg minder van het zakenleven dan nu. Maar “meneer Ouborg” snapte dat toen al heel goed. En die zelfde “meneer Ouborg” snapt ook heel goed dat bijzondere monumentale panden behouden moeten blijven voor een stad. Daar mag Breda heel blij mee zijn.

Maar ook Dordrecht heeft panden die het behouden waard zijn. “De Holland” is zo’n pand. Een prachtig historisch kantoorpand uit 1939 van architect Sybold van Ravesteijn.

Nee, Dordrecht doet niet onder voor Breda.

Maar ik kan het niet ontkennen, Dordrecht heeft tot mijn spijt, geen Aad Ouborg.